Ballonnentennis

Naam spel: Ballonnentennis

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.1 De kls kunnen handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen).

LPDS GO:
WI: Getallen: 2. Vergelijken van hoeveelheden:
  2.1. De kleuters kunnen handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen. (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen)

LPDS OVSG:
WI-GK.AFR.1  De lln. kennen hoeveelheidsbegrippen die een benadering van een exact aantal weergeven: veel, weinig, sommige, geen (niets), alle(s), allemaal, een beetje, enkele, een paar, ongeveer, bijna, ruim,….
WI-GK.ORD.2  De lln. kunnen zonder te tellen, maar door een 1-1-relatie uit te voeren, twee hoeveelheden vergelijken.

Organisatie:
WI 1.1
Benodigdheden:
–          Ballonnen
Locatie:  klas
Tijd: 15 min.

Opdracht:
De kinderen worden verdeeld in 2 groepen. Tussen de 2 groepen is een afscheiding gemaakt door bv stoelen of een touw.
Op het teken moeten de kinderen zoveel mogelijk  ballonnen naar de andere kant van de klas slaan.

Op het stopsteken moeten alle handen in de lucht.
We kijken hoeveel ballonnen er aan elke kant zijn.
Waar zijn er het meest/minst?
Via 1-1 relatie kan gekeken hoeveel ballonnen er meer /minder zijn.
Het spel kan enkele keren gespeeld worden, waarbij de groepen kunnen verschillen.

Variaties:
1K: Er kan in kleine groepen gewerkt worden zodat het aantal kleiner is.

2-3K:
– Er kan met minder/meer ballonnen gewerkt worden dan er kinderen zijn.
–  Op de speelplaats kan het spel met ballen gedaan worden, er kan ook geschoven worden met blokken.

Bronnen:
Tyberg S., 365 spelletjes voor Peuters en kleuters, Deltas, Aarstelaar, 1997.

Gekleurde ballen tellen

Naam spel: Gekleurde ballen tellen

Leeftijd: 2-3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.1 De kleuters kunnen handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen).

LPDS GO:
WI:  Getallen: 2. Vergelijken van hoeveelheden
:  2.1. De kleuters kunnen handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen. (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen)

LPDS OVSG:
WI-GK.AFR.1
De lln. kennen hoeveelheidsbegrippen die een benadering van een exact aantal weergeven: veel, weinig, sommige, geen (niets), alle(s), allemaal, een beetje, enkele, een paar, ongeveer, bijna, ruim,….

Organisatie:
WI 1.1 (2)

Benodigdheden:
–          Gekleurde balletjes
Locatie: klas
Tijd: 10-15 min.

Opdracht:
In het midden van de kring worden allemaal gekleurde balletjes gelegd.
De leerkracht overloopt nog eens de kleuren van de balletjes.
Het is de bedoeling dat de kinderen de balletjes sorteren zonder hun handen te gebruiken. Ze mogen hiervoor wel hun voeten of andere lichaamsdelen gebruiken.
Eens de balletjes per kleur liggen wordt er gevraagd van welke kleuren er evenveel/niet evenveel zijn. Waar zijn er meer/minder balletjes?
Nadien kan de verhouding van de balletjes veranderen en start het spel opnieuw.

Variaties:
2-3K:
– Er kunnen andere materialen gebruikt worden zoals pittenzakjes, stiften of voorwerpen in het
thema.
– Sorteren op andere eigenschap dan op kleur, afhankelijk van het BC.

3K: Er kunnen meer lichaamsdelen dan enkel de handen uitgesloten worden, zoals ook de voeten, de ellebogen,…

Bronnen:
Tyberg S., 365 spelletjes voor Peuters en kleuters, Deltas, Aarstelaar, 1997.

Aantal kinderen vergelijken

Naam spel: Aantal kinderen vergelijken

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen: 1.1 De kleuters kunnen handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen).

LPDS GO:
WI : Getallen: 2. Vergelijken van hoeveelheden:
  2.1.  De kleuters kunnen handelend en verwoordend de ene concrete hoeveelheid dingen vergelijken met een andere hoeveelheid dingen. Bij het verwoorden gebruiken zij daarbij de passende hoeveelheidsbegrippen. (evenveel/niet evenveel dingen, veel/weinig dingen, te veel/te weinig dingen, dingen over/dingen te kort, meer/minder dingen, meest/minst dingen)

LPDS OVSG:
WI-GK.AFR.1 De lln. kennen hoeveelheidsbegrippen die een benadering van een exact aantal weergeven: veel, weinig, sommige, geen (niets), alle(s), allemaal, een beetje, enkele, een paar, ongeveer, bijna, ruim,….
WI-GK.ORD.2 De lln. kunnen zonder te tellen, maar door een 1-1-relatie uit te voeren, twee hoeveelheden vergelijken.

Organisatie:

WI 1.1 (3)
Benodigdheden :
–          Afbakeningslint
–           rode en gele  plaatsaanduiding
Locatie: klas
Tijd: 15-20 min.

Opdracht:
De leerkracht toont aan de kleuters de 2 afgebakende plaatsen.
De leerkracht gaat allerlei eigenschappen zeggen die de kinderen kunnen hebben (bv. bruin haar, blond haar). De kinderen moeten als ze aan dit kenmerk voldoen op die plaats gaan staan. Ze doen dat niet zomaar.
Ze moeten altijd net als een personage op die plaats gaan staan.
De leerkracht zegt een personage:

  • Koning
  • Atleet
  • Konijn
  • Tijger
  • Slang
  • Fietser
  • Giraf

Daarna noemt ze een kenmerk en de kleur van een plaats:

  • Kinderen met blond haar gaan staan bij rood en kinderen met bruin haar gaan staan bij geel. De anderen blijven waar ze zijn.

De leerkracht vraagt of er evenveel kinderen zijn in elke groep.
“In welke groep zijn er veel kinderen? In welke groep zijn er weinig kinderen?”
“In welke groep zijn er de meeste kinderen? In welke groep de minste kinderen?”

Als er weinig verschil is kan er aan de hand van een één- één relatie gekeken worden in welke groep er het meeste/minste kinderen zijn.

Daarna worden de kinderen weer verzameld.
Andere kenmerken:

  • Kledij met strepen en kledij met bolletjes
  • Rode kledij en gele kledij
  • Blauwe ogen en bruine ogen
  • Jongens en meisjes
  • Korte broek en lange broek aan
  • Trui en T-shirt aan
  • Schoenen en sandalen.

Variaties:
1-2K:
–     met beperkt aantal kinderen.
–     vergelijken met een vaste hoeveelheid kinderen (bv met 2 kinderen)

2-3K: in plaats van kenmerken 2 dingen zeggen waar ze uit mogen kiezen die ze het leukste vinden:

  • Auto’s of blokken
  • Kat of hond
  • Lezen of muziek luisteren
  • Kleur groen of blauw

Bronnen:
Nijs K, wiskundige initiatie I, cursus uitgave 2008.

Blikkenvangers

Naam spel: Blikkenvangers

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.2 De kleuters kunnen met aanwijzing 5 dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (relatief).

LPDS GO:
WI : getallen: 5. Tellen als vaardigheid:
 5.2. ♣♣ De kleuters kunnen met aanwijzing vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (resultatief).
WI: getallen: 5. Tellen als vaardigheid:  5.3. ♣♣ De kleuters kunnen zonder aanwijzing vijf dingen correct tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn.

LPDS OVSG:
WI-GK.TEL.2.1 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: materieel handelend te tellen (verschuiven, aanraken, aanwijzen).
WI-GK.TEL.2.2 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: verinnerlijkt te tellen.
WI-GK.TEL.2.3 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: ineens te overzien (zonder tellen).

Organisatie:

WI 1.2
Benodigdheden :
–          blik met touw aan, aan het touw een balletje
Locatie: klas
Tijd: 10-15 min.

Opdracht:
De kinderen worden verdeeld in groepen van 5 kinderen.
Ieder kind heeft een blik met daaraan een touwtje, aan het touwtje hangt een balletje.
De kinderen moeten proberen het balletje in het blik te gooien door het blik opwaarts te bewegen.
Zo zal het touw met het balletje aan bewegen.
Er wordt een tijd afgesproken a.d.h.v. een zandloper of een kort liedje. Iedereen moet proberen zijn balletje in het blik te gooien zonder het balletje met de handen aan te raken.
Wie erin geslaagd is, gaat met de handen in de lucht staan.
Daarna wordt er geteld bij hoeveel kinderen het gelukt is de bal in het blik te doen.

Variaties:
2-3K:
– Je kan ook een klein balletje nemen dat ze omhoog moeten gooien en proberen vangen met het blik.
– Enkele kinderen hebben een blik. De andere kinderen staan in een cirkel en rollen balletjes naar elkaar. De kinderen in het midden moeten met het blik een rollend balletje proberen vangen.

Bronnen:
Daana L.A., Prisma spelenboek buitenshuis, Het spectrum, Utrecht, 1980.

Kinderen in houdingen tellen

Naam spel: Kinderen in houding tellen

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
WI – getallen: 1.2 De kleuters kunnen met aanwijzing 5 dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (relatief).

LPDS GO:
WI:  getallen: 5. Tellen als vaardigheid:
 5.2. ♣♣ De kleuters kunnen met aanwijzing vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (resultatief).
WI: getallen: 5. Tellen als vaardigheid: 5.3. ♣♣ De kleuters kunnen zonder aanwijzing vijf dingen correct tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn.

LPDS OVSG:
WI-GK.TEL.2.1 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: materieel handelend te tellen (verschuiven, aanraken, aanwijzen).
WI-GK.TEL.2.2 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: verinnerlijkt te tellen.
WI-GK.TEL.2.3 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: ineens te overzien (zonder tellen).

Organisatie:

WI 1.2 (2)
Benodigdheden:
–          Kaarten met houdingen op getekend
Locatie: klas
Tijd: 10-15 min.

Opdracht:
De leerkracht heeft allerlei prenten met houdingen op.
De leerkracht toont een prent en duidt enkele kinderen aan die deze houding samen mogen uitbeelden.
Hoeveel kinderen staan er in deze houding?
Er wordt samen geteld om te kijken of het correct is.
Kleuters beelden telkens allemaal samen de houding uit.
Welke waren de leukste houdingen? Welke waren de moeilijkste houdingen?
De leerkracht doet ze nog eens samen met de kinderen.
Er kan geteld worden hoeveel kinderen er welke houding het leukste vinden.

Variaties:
1-3K:
–  De houdingen kunnen aangepast worden aan de bewegingsmogelijkheden van de kinderen.
– Er kunnen voorwerpen gebruikt worden bij het uitbeelden van houdingen.

2-3K:
– Er kunnen i.p.v. houdingen ook personages uitgebeeld worden. De kinderen moeten met een houding proberen tonen welk personage ze zijn.
–  Enkele kleuters kiezen een houding en de kleuters beelden deze uit.

3K: Er kunnen 2 groepen kinderen een andere houding nabootsen. Deze staan door elkaar. Hoeveel kinderen bootsen er deze houding uit?

Bronnen:
Tyberg S., 365 spelletjes voor Peuters en kleuters, Deltas, Aarstelaar, 1997.

De appelman

Naam spel: De appelman

Leeftijd: 2-3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.2 De kleuters kunnen met aanwijzing 5 dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (relatief).

LPDS GO:
WI: Getallen: 5. Tellen als vaardigheid: 5.2. ♣♣ De kleuters kunnen met aanwijzing vijf dingen correct (simultaan) tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn (resultatief).
WI: Getallen: 5. Tellen als vaardigheid:  5.3. ♣♣ De kleuters kunnen zonder aanwijzing vijf dingen correct tellen en daarna zeggen hoeveel dingen er geteld zijn.

LPDS OVSG:
WI-GK.TEL.2.1 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: materieel handelend te tellen (verschuiven, aanraken, aanwijzen).
WI-GK.TEL.2.2 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: verinnerlijkt te tellen.
WI-GK.TEL.2.3 De lln. kunnen van een beperkte hoeveelheid ( kleiner dan of gelijk aan 5) aangeven hoeveel er zijn door: ineens te overzien (zonder tellen).

Organisatie:

WI 1.2 (3)
Benodigdheden:
–          Appels
–          Enkele manden
Locatie: klas
Tijd: 10-15 min.

Opdracht:
De kinderen leren het liedje: zeg ken jij de appelman, de appelman, de appelman, zeg ken jij de appelman, die komt zo bij ons langs. (melodie: zeg ken jij de mosselman)

Alle kinderen staan in de klas verspreid, behalve één kleuter. Die heeft een lege mand bij zich. Deze kleuter wordt even geblinddoekt of gaat om het hoekje staan.
De leerkracht deelt 5 appels uit aan 5 kinderen in de klas . Deze kinderen houden de appel in hun handen.
De kinderen  mogen terwijl ze staan in de klas bewegen met hun armen en door hun benen gaan om de appel te laten bewegen.
Dan wordt het lied gezongen. Terwijl het lied gezongen wordt gaat de appelman rond. En probeert te kijken wie een appel heeft. Dit is moeilijker doordat de kinderen bewegen. Als hij/zij een appel ziet tikt deze het kind en deze legt dan de appel in de mand.
Op het einde van het lied wordt er geteld hoeveel appels er in de mand liggen.
Daarna wordt er gewisseld van appelman.
Alle appels worden verzameld.

Variaties:

1-3K: De appels worden verstopt in de klas en de appelmannen moeten er zoveel mogelijk zoeken.

2-3K: Er kan meer dan 1 appelman zijn. Dan worden er meer dan 5 appels verspreid tussen de kinderen.

Bronnen:
Nijs K, wiskundige initiatie I, cursus uitgave 2008.

 

Rangorde van bewegende dieren

Naam spel: Rangorde van bewegende dieren

Leeftijd:  2-3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.3 De kleuters kunnen een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken.

LPDS GO:
WI: getallen: 5. Tellen als vaardigheid:
 5.5. ♣♣ De kleuters kunnen een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken.

LPDS OVSG:
WI-GK.ORD.4.1 De lln. kunnen, als plaats en richting afgesproken zijn, een rangorde aanduiden en verwoorden. Ze maken daarbij gebruik van volgende begrippen: rangtelwoorden: eerste, tweede,…, laatste, voorlaatste, middelste,…

Organisatie:

WI 1.3
Benodigdheden:
/
Locatie:  klas
Tijd: 15 min.

Opdracht:
De leerkracht laat de kleuters allerlei dieren die ze kennen uitbeelden.
De leerkracht duidt een 5-tal kleuters aan. Deze gaan op een rij staan. De eerste in de rij krijgt een kenteken.

De kinderen moeten allemaal een verschillend dier uitbeelden en zo samen op een rij door de klas bewegen.
Op het teken van de leerkracht (trommelslag) blijven de dieren stokstijf staan.
De leerkracht stelt dan een vragen:
– Op de hoeveelste plaats staat …. (=dier)?
– Welk dier staat er op de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats?
Bij het volgende teken gaan de dieren weer bewegen.
Telkens de leerkracht het teken geeft, staan de dieren even stil en wordt er een vraag gesteld.
Nadien wordt de rij dieren gewisseld.

Variaties:
1-3K: De lengte van de rij en de dieren variëren naar het niveau van de kinderen.

2-3K: Er kunnen ook beroepen of dergelijke uitgebeeld worden.

Bronnen:
Lamon A., De Veyeder F, Ghilain G,  Bewegend leren, Uitgeverij Den gulden engel, Antwerpen, 1989.

In welke dozen zitten er balletjes?

Naam spel: In welke dozen zitten er balletjes?

Leeftijd: 2-3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie –  getallen 1.3 De kleuters kunnen een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken.

LPDS GO:
WI: getallen: 5. Tellen als vaardigheid: 5.5. ♣♣ De kleuters kunnen een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken.

LPDS OVSG:
WI-GK.ORD.4.1 De lln. kunnen, als plaats en richting afgesproken zijn, een rangorde aanduiden en verwoorden. Ze maken daarbij gebruik van volgende begrippen: rangtelwoorden: eerste, tweede,…, laatste, voorlaatste, middelste,…

Organisatie:

WI 1.3 (2)
Benodigdheden:
–          5 dozen met lange zijde  aan elkaar gekleefd
–           5 balletjes (per groep)
Locatie: Klas
Tijd: 15 min

Opdracht:
De leerkracht stelt het spel voor en zegt duidelijk welke de 1ste/2de/3de/4de/5de doos is.
De kinderen gaan in een rij staan achter de constructie (rij dozen). De kinderen proberen de 5 balletjes in de rij dozen te gooien.
Daarna moeten de kinderen telkens verwoorden in welke doos er een balletje zit. De kinderen controleren elkaar.

Variaties:

1-2K: Er worden minder dan 5 dozen gebruikt.

1-3K:
–     Er kan gegooid worden met pittenzakjes.
–      De grootte van het doel varieert naar mogelijkheden van de kinderen.
–      Er kunnen op de speelplaats of op de grond met krijt vakken getekend worden. De kinderen moeten dan blokken of dergelijke schuiven. Nadien zeggen ze in welk vak er een blok ligt.
–      De dozen worden achter elkaar geplaatst.

Bronnen:
Volkspelen: het tonspel (http://www.volkssportroute.be/NL/games#game_23), laatst geraadpleegd op 14/02/2013.

 

Rangorde via beweging

Naam spel: Rangorde via beweging

Leeftijd: 2-3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.3 De kleuters kunnen een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken.

LPDS GO:
WI: getallen: 5. Tellen als vaardigheid: 5.5. ♣♣ De kleuters kunnen een rangorde (tot vijfde) aanduiden en verwoorden (ordinaal tellen) als begin en richting zijn afgesproken.

LPDS OVSG:
WI-GK.ORD.4.1 De lln. kunnen, als plaats en richting afgesproken zijn, een rangorde aanduiden en verwoorden. Ze maken daarbij gebruik van volgende begrippen: rangtelwoorden: eerste, tweede,…, laatste, voorlaatste, middelste,…

Organisatie:

WI 1.3 (3)
Benodigdheden :
–          Stoelen
–          Tafels
–          kussens
–          markeertape
Locatie: klas
Tijd: 15 min.

Opdracht:
De leerkracht laat de kleuters voorwerpen plaatsen op de aangeduide plaatsen. Hierbij verwoordt de leerkracht telkens op welke plaats het voorwerp wordt geplaatst (1ste/2de/3de/4de/5de plaats)

De kleuters gaan in groepjes voor een rij van stoelen, tafels, kussens staan.
De leerkracht geeft de opdrachten:

– ga zitten op de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats/stoel/tafel/kussen
– kruip onder de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats/stoel/tafel/kussen
– loop een rondje rond de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats/stoel/tafel/kussen
– kruip over de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats/tafel/stoel/kussen
– ga staan op de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats/tafel/stoel/kussen
– leg je hand op de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats/stoel/tafel/kussen.
– …

Er wordt samen gekeken of iedereen op de juiste plaats staat. Controleren gebeurt via tellen.
De leerkracht laat de kleuters ook zelf plaatsen benoemen die de andere kleuters moeten innemen.

Variaties:
1-3K:
–     Het aantal plaatsen (rangordes) wordt aangepast aan de groep.
–     Verplaatsingsvormen gebruiken tot aan de 1ste/2de/3de/4de/5de plaats:
•             Kruipen
•             Achterwaarts stappen
•             Zijwaarts stappen
•             Op handen en voeten
•             Op 1 been

1-3K: In de plaats van stoelen, tafels en kussens kunnen er voorwerpen gelegd worden in het thema. De kinderen kunnen dan bewegen tot aan het juiste voorwerp, of bewegen met en rond het voorwerp.

Bronnen:
Lamon A., De Veyeder F, Ghilain G,  Bewegend leren, Uitgeverij Den gulden engel, Antwerpen, 1989.

Meer en minder

Naam spel: Meer en minder

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen: 1.4 De kleuters kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren (evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen).

LPDS GO:
WI: Getallen: 3. Bewerkingen: 3.4. ♣/♣♣ De kleuters kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren. (evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen)
WI:  Getallen: 3. Bewerkingen:  3.1. ♣/♣♣ De kleuters kunnen hoeveelheden groter en kleiner maken.
WI: Getallen: 3. Bewerkingen:  3.2. ♣♣ De kleuters kunnen hoeveelheden gelijkmaken.

LPDS OVSG:
WI-GK.RTL.2 De lln. kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren m.b.t. het aantal en de hoeveelheid.
WI-GK.RTL.1 De lln. hanteren vlot de rekentaal i.v.m. bewerkingen: erbij (en) – eraf, samen, bijdoen – wegdoen – afdoen, (bij)krijgen – weggeven, (bij)winnen – verliezen, keer (maal).

Organisatie:

 WI 1.4
Benodigdheden:
–          kleine balletjes
–          1 doos per  3-4 kleuters
Locatie: klas
Tijd: 15 min

Opdracht:
De leerkracht verdeelt de kleuters in groepjes van 3-4 kleuters.
De leerkracht geeft iedere groep evenveel balletjes.
Iedereen mag proberen zoveel mogelijk balletjes in zijn doos te gooien. De balletjes die ernaast zijn worden verzameld.
De leerkracht vraagt een kleuter hoeveel balletjes er in de doos zitten.
Alle kleuters tellen hun eigen balletjes.
De leerkracht vraagt aan de kleuters om ervoor te zorgen dat in alle dozen evenveel balletjes zijn.

“Hoeveel balletjes hadden jullie eerst in jullie doos?”
“Hoe hebben jullie ervoor gezorgd dat er evenveel balletjes in de doos zitten?

De leerkracht vraagt de kleuters 3 balletjes in de doos te gooien.
De leerkracht geeft nadien volgende opdrachten:

  • Zorg dat er 4 balletjes in de doos zitten
  • Zorg dat er 2 balletjes in de doos zitten.
  • Zorg dat er 5 balletjes in de doos zitten
  • Doe 2 balletjes uit de doos.
  • Doe 1 balletje in de doos

De leerkracht vraagt telkens wat de kleuters hebben moeten doen of hoeveel balletjes er nu in de doos zitten.

Variaties:
1-3K:
–          Afstand voor het gooien van de balletjes varieert tot de doos.
–          De opdrachten en aantallen variëren naar niveau van de kinderen
–          Er kan ook met pittenzakjes gewerkt worden of andere voorwerpen die  bij het gooien niet stuk gaan.

2-3K: Er kan ook geschoven met blokken tot in een cirkel.

Bronnen:
Nijs K., wiskundige initiatie I, cursus uitgave 2008.

 

Treintjes maken

Naam spel: Treintjes maken

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.4 De kleuters kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren (evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen).

LPDS GO:
WI: Getallen: 3. Bewerkingen: 3.4. ♣/♣♣ De kleuters kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren. (evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen)
WI: Getallen: 3. Bewerkingen: 3.1. ♣/♣♣ De kleuters kunnen hoeveelheden groter en kleiner maken.
WI: Getallen: 3. Bewerkingen: 3.2. ♣♣ De kleuters kunnen hoeveelheden gelijkmaken.

LPDS OVSG:
WI-GK.RTL.2 De lln. kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren m.b.t. het aantal en de hoeveelheid.
WI-GK.RTL.1 De lln. hanteren vlot de rekentaal i.v.m. bewerkingen: erbij (en) – eraf, samen, bijdoen – wegdoen – afdoen, (bij)krijgen – weggeven, (bij)winnen – verliezen, keer (maal).

Organisatie:

WI 1.4 (2)
Benodigdheden : /
Locatie: klas
Tijd: 15 min

Opdracht:
De kinderen lopen in een lange trein door de klas.
De leerkracht geeft telkens de opdracht de grote van de trein te veranderen:

  • Een trein van 3 kinderen
  • Een trein van 5 kinderen
  • Een trein van 2 kinderen
  • Een trein van meer dan 2 kinderen
  • Een trein van minder dan 4 kinderen
  • 2 treinen van evenveel kinderen

Variaties:
1-3K: De opdrachten kunnen aangepast worden aan het niveau van de kinderen.

1-3K: Er kunnen bepaalde bewegingen gedaan worden in de trein, zoals zwaaien, kruipen,…

2-3K: Er kan telkens met 1 trein gewerkt worden die moet worden aangepast.

Bronnen:
Tyberg S., 365 spelletjes voor Peuters en kleuters, Deltas, Aarstelaar, 1997.

Te veel of te weinig voorwerpen

Naam spel: Te veel of te weinig voorwerpen

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.4 De kleuters kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren (evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen).

LPDS GO:
WI: getallen: 3.Bewerkingen:  3.4. ♣/♣♣ De kleuters kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren met betrekking tot aantal en hoeveelheid. Zij kunnen deze handelingen verwoorden door de gepaste begrippen te hanteren. (evenveel maken, bijdoen, wegdoen, samentellen, vermeerderen, verminderen, verdelen)
WI: getallen: 3.Bewerkingen:  3.2. ♣♣ De kleuters kunnen hoeveelheden gelijkmaken.

LPDS OVSG:

WI-GK.RTL.2 De lln. kunnen in concrete situaties rekenhandelingen uitvoeren m.b.t. het aantal en de hoeveelheid.
WI-GK.RTL.1 De lln. hanteren vlot de rekentaal i.v.m. bewerkingen: erbij (en) – eraf, samen, bijdoen – wegdoen – afdoen, (bij)krijgen – weggeven, (bij)winnen – verliezen, keer (maal).

Organisatie:

WI 1.4 (3)
Benodigdheden:
–          voorwerpen in thema. Tot 5 meer dan het aantal kinderen.
Locatie: In de klas
Tijd: 15 min.

Opdracht:
De leerkracht laat enkele kleuters een bepaald aantal voorwerpen in het rond leggen in de klas. (enkele voorwerpen meer of minder dan het aantal kinderen)
Alle kinderen lopen in de klas. Op het teken van de leerkracht neemt iedereen een voorwerp.

Niet iedereen heeft een voorwerp. Hoeveel voorwerpen moeten we erbij doen zodat iedereen een voorwerp heeft?
Wie geen voorwerp heeft gaat samen staan, zodat er gemakkelijk geteld kan worden.

Er kunnen ook teveel voorwerpen zijn. Hoeveel voorwerpen mogen we wegdoen?
Daarna mogen de kinderen hun voorwerp op een zichtbare plaats in de klas leggen en mogen dan weer rondlopen in de klas.

Variaties:
1-3K: aantal voorwerpen teveel of te weinig wordt aangepast aan het niveau van de kinderen.

2-3K: De verplaatsingsvorm kan aangepast worden. Bv. huppen, springen op 1 been, achterwaarts stappen.

Bronnen:
Nijs K., wiskundige initiatie I, cursus uitgave 2008.

 

Hoeveel vingers?

Naam spel: Hoeveel vingers?

 Leeftijd: 2-3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.5 De kleuters kunnen door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte.

LPDS GO:
WI: getallen: 3. Bewerkingen:  3.5. ♣♣ De kleuters ervaren de wezenlijke en niet-wezenlijke aspecten van een hoeveelheid door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft, hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte.

LPDS OVSG:
WI-GK.ORD.1 De lln. kunnen aangeven dat een hoeveelheid gelijk blijft ook na een herschikking in de ruimte (conservatie).

Organisatie:

WI 1.5
Benodigdheden:
/
Locatie: klas
Tijd: 5 – 10 min

Opdracht:
De leerkracht laat de kleuters hun vingers tellen.
De leerkracht  geeft telkens de opdracht vingers te proberen verstoppen voor de anderen: duim verstoppen, wijsvinger, middenvinger, ringvinger of pink.
Ze verstoppen van 1 of van 2 handen dezelfde vinger.
Hoeveel vingers hebben we nu? Hoeveel vingers hebben de andere kinderen?
Telkens ze tellen zijn het 10 vingers. Het is niet omdat ze even niet zichtbaar zijn dat we geen 10 vingers meer hebben.

Variaties:
1-2K: 1 hand gebruiken

1-3K: Opwarming van de handen kan gebeuren via een vingerversje:
Naar bed, naar bed zei Duimelot.
Eerst nog wat eten, zei Likkepot.
Waar zal ik het halen, zei Lange Jaap.
In grootmoeders kastje, zei Ringeling.
Dan zal ik ’t verklappen, zei ’t Kleine Ding.

Bronnen:
Nijs K, wiskundige initiatie I, cursus uitgave 2008.
Vingerversje, (www.vaneisden.nl/Vingerversjes1.doc), laatste raadpleging op 14/02/2013.

 

Ganzenpad

Naam spel: Ganzenpad

Leeftijd: 2-3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.5 De kleuters kunnen door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte.

LPDS GO:
WI:  getallen: 3. Bewerkingen:  3.5. ♣♣ De kleuters ervaren de wezenlijke en niet-wezenlijke aspecten van een hoeveelheid door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft, hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte.

LPDS OVSG:
WI-GK.ORD.1 De lln. kunnen aangeven dat een hoeveelheid gelijk blijft ook na een herschikking in de ruimte (conservatie).

Organisatie:

WI 1.5 (2)
Benodigdheden:
–          bierkaartjes
Locatie: klas
Tijd: 15 min

Opdracht:
De leerkracht zegt dat ze met 5 kaartjes paadjes gaat maken.
De leerkracht legt enkele paadjes van telkens 5 kaartjes. De kinderen mogen deze dan afleggen door van kaartje naar kaartje te springen.
De leerkracht legt de kaartjes soms ver van elkaar soms dicht bij elkaar.
De leerkracht vraagt nadien waar er meer of minder kaartjes zijn.
Nadien tellen de kinderen de kaartjes. Wat merken ze op? (overal blijven er 5 kaartjes liggen)

Variaties:
2-3K:
–          Er kan 1 pad gelegd worden per keer, telkens met dezelfde kaartjes.
–          Er kan gewerkt worden met minder dan 5 kaartjes.
–          Er kunnen andere voorwerpen dan bierkaartjes gebruikt worden: stapstenen, kranten, kussens.

Bronnen:
Tyberg S., 365 spelletjes voor Peuters en kleuters, Deltas, Aarstelaar, 1997.

 

Evenveel kinderen

Naam spel: Evenveel kinderen

Leeftijd: 3K

Ontwikkelingsdoel:
Wiskundige Initiatie – getallen 1.5 De kleuters kunnen door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte.

LPDS GO:
WI: Getallen: 3.Bewerkingen: 3.5. ♣♣ De kleuters ervaren de wezenlijke en niet-wezenlijke aspecten van een hoeveelheid. door handelend en verwoordend te vergelijken, aangeven dat er een bepaalde hoeveelheid dingen dezelfde blijft, hoe ze ook geplaatst of geordend zijn in de ruimte.

LPDS OVSG:
WI-GK.ORD.1 De lln. kunnen aangeven dat een hoeveelheid gelijk blijft ook na een herschikking in de ruimte (conservatie).

Organisatie:

WI 1.5 (3)
Benodigdheden :
–  5 grote voorwerpen
Locatie: klas
Tijd: 15 min.

Opdracht:
De leerkracht laat een aantal kinderen bij zich komen en laat ze op een rij naast elkaar staan.
Hoeveel kinderen zijn er?
De kinderen gaan nu dicht bij elkaar staan. Zijn er meer of minder kinderen?
De kinderen gaan nu ver uit elkaar staan. Zijn er meer of minder kinderen?
De kinderen maken zich klein en groot. Verandert dit iets aan het aantal kinderen.
De kinderen tellen om te controleren.
Daarna worden er andere kinderen gekozen. Deze springen eerst dicht bij elkaar, daarna door de klas. Daarna springen ze als een kabouter en als reus. Zijn er telkens meer of minder kinderen?
Nadien kunnen een aantal voorwerpen geplaatst worden in de kring. We tellen deze samen. Daarna lopen we rond. Op het teken van de leerkracht wordt iedereen een standbeeld. Zijn er meer of minder voorwerpen?
Wat gebeurt er met het aantal kinderen als ze zich verplaatsen? Worden het er meer? Worden het er minder?

Variaties:
1-3K: het aantal kinderen wordt aangepast aan het niveau van de kinderen

2K: kinderen kunnen voorwerpen plaatsen in de omgeving. Grote materialen zoals stoelen, grote ballen geven hierbij extra uitdaging.

Bronnen:
Nijs K, wiskundige initiatie I, cursus uitgave 2008.